Geschiedenis Sprundel: A.J.M. Hezemans 1982

Sprundel van 992 tot 1980

De eerste bewoning

Sprundel is de oudste woonkern van onze gemeente. Men mag in redelijkheid aannemen dat Sprundel al meer dan 1.000 jaar wordt bewoond. In het boekje: "Sprundelheim, een der oudste plaatsen van West-Brabant" (gemeente-uitgave 1984), worden verschillende argumenten genoemd die tot deze conclusie leiden. Over de eerste eeuwen van die bewoning is weinig bekend.
De eerste nederzetting was volgens de schenkingsakte van de abdij van Thorn van 992 een "castellum", vermoedelijk ontstaan uit de behoefte aan een plaatselijke verdediging. Het woord "castellum", (kasteel) is een verkleinwoord van "castra" en betekent oorspronkelijk "kleine legerplaats", terwijl het woord Sprundel vermoedlijk afgeleid is van "sperren" (versperring) en de plaatsnaam Sprundelheim wijst op een zeer vroege bewoning (± 10e eeuw). Deze kleine legerplaats groeide uit tot een domein, waar horigen het land bebouwden en vrije mannen hun militaire en andere diensten voor de landsheer verrichtten.
Dit mag worden afgeleid uit een tweetal akten:

1. de akte van 1198 waarin hertog Hendrik I van Brabant het land van Breda in leen geeft aan Godfried van Schoten "met uitzondering van onze dienstlieden en het leengoed van onze dienstlieden en van onze vrij mannen" (tot die uitzondering behoorde o.m. het gebied van Sprundel-onder-den-hertog);
2. de akte van 1351 waarin aan de Norbertinessen van Catharinadal te Breda (thans te Oosterhout), gronden worden geschonken, gelegen in het Hoelmaer (Heulmeer) "prenominatam villam de Sprundele (= vroeger het domein van Sprundel genoemd), en gelegen boven "Halmaer in parochia Sprundele".

Het gebied van dit domein was derhalve veel groter dan het huidige grondgebied van het dorp Sprundel. Het is vermoedelijk gelijk geweest aan het oude grondgebied van de Sprundelse parochie die zich in het noorden uitstrekte tot boven het Heulmeer (de Heul) en in het westen tot de Langendijk. Dit betekent dat ook het grondgebied van de huidige dorpen St. Willebrord, Rucphen en Schijf destijds tot het domein hebben behoord.
Ten tijde van de turfnering (1300-1500) was Sprundel volkrijk en bloeiende. Het dorp lag in het midden van vele moeruitgiften. In 1297 werd ten noorden van het dorp rond 900 ha moergrond uitgegeven aan het St. Janshospitaal in Brugge. Het gebied kreeg later de naam van Monnikenmoer, waarin de Kriekenvaart en de Kibbelvaart werden gegraven voor het afvoeren van de turf.
Ten zuiden van het dorp vonden nadien verschillende moeruitgiften plaats in het gebied van de Oude Vossenbergsche vaert (thans Oude Turfvaart), die van het Hopmeir (thans de Zwarte Blik) en het Bakkersmeer via de Zandspui naar de Leur liep. Nog zuidenlijker lag het gebied van "de 400 bunder" (520 ha) nabij de Lokker dat in 1408 werd uitgegeven.
Na het afgraven van de turf, in feite roofbouw, trad het verval in, gevolgd door de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Het inwonertal liep terug. Het dorp kreeg, omdat het gelegen was aan de grote heerbaan van Breda naar Bergen op Zoom, extra veel te lijden van doortrekkende troepen krijgsvolk dat allerlei zaken vorderde, zoals haver en hooi voor de paarden en brood, vlees en bier voor de soldaten en alles zonder passende betaling.
In 1583 was het zelfs zo erg geworden dat alle inwoners op de vlucht sloegen voor de plunderende troepen van de Franse veldheer Biron, die met Hollandse troepen streed voor de prins van Oranje. Het dorp was toen totaal verlaten en het duurde verschillende jaren voordat men van lieveree weer terugkwam.
Blijkens het kerkelijk visitaie-rapport van 1609 dat de deken aan de bisschop van Antwerpen uitbracht, telde de Sprundelse parochie toen 300 communicanten of ± 450 inwoners. In het vistitatie-rapport van 1628 wordt het aantal communicanten op 270 gesteld of ± 400 inwoners. Er was dus in de afgelopen 20 jaar geen bevolkingsgroei geweest, maar een bevolkingsdaling. Een van de oorzaken is vermoedelijk de pest geweest. In 1625 heeft de pest in elk geval in Sprundel geheerst, zoals blijkt uit het begraafboek van de parochie.

Met de vrede van Munster in 1648 kwam er een einde aan de Tachtichjarige Oorlog, maar de vredesbepalingen waren voor onze streek zeer ongunstig. Het oude hertogdom Brabant, eens het meest vooraanstaande gewest in de Lage Landen, werd in tweeën gedeeld overeenkomstig het oude recept van de overwinnaar: divide et impera (verdeel en heers).
Het noordelijk deel (Noord-Brabant) kwam bij de Republiek der Verenigde Nederlanden en werd als generaliteitsland door de Staten Generaal bestuurd. Het werd voortaan Staats-Brabant genoemd in tegenstelling tot het zuidelijk deel (Brabant in België) dat als onderdeel van de Zuidelijke Nederlanden in Spaans bezit bleef en daarom Spaans-Brabant ging heten. In Staats-Brabant werd de uitoefening van de katholieke godsdienst bij plakkaat van 16 juni 1648 verboden en mochten katholieken geen openbare ambten meer vervullen. De priesters moesten terstond het land verlaten. Dit betekende voor de katholieken in deze streek en met name ook voor Sprundel, waar bijna iedereen katholiek was en men niets van de nieuwe leer moest hebben, een leven van onderdrukking en uitbuiting.
De ellende die daardoor over de bevolking kwam, werd nog eens extra verzwaard door de vier oorlogen die tussen de Munsterse vrede van 1648 en de Franse Revolutie in 1793 in deze streken werden gevoerd tussen de Republiek en Frankrijk.
Deze oorlogen waren:
1. de oorlog van 1672-1678 (la guerre de Hollande), beëindigd met de vrede van Nijmegen;
2. de negenjarige oorlog van 1688 tot 1697 met de vredestractaten van Rijswijk als slot;
3. de Spaanse successie-oorlog van 1701 tot 1714, besloten met de vrede van Utrecht;
4. de Oostenrijkse successie-oorlog van 1740 tot 1748 waaraan met de vrede van Aken een einde kwam.
In al deze oorlogen probeerde Frankrijk zijn gebied naar het noorden uit te breiden, vooral in de Zuidelijke Nederlanden. De Republiek verzette zich daartegen, omdat zij haar zelfstandigheid bedreigd voelde. Zij wenste Frankrijk wel als vriend, maar niet als buur. Gevolg van dit alles was, dat het grondgebied van de Zuidelijke Nederlanden en van Staats-Brabant telkens het slagveld vormde waar deze oorlogen werden uitgevochten met alle ellende van dien voor de daar wonende bevolking, vooral die van het platteland. We gaan met opzet wat dieper op deze oorlogen in, omdat zij vanwege de vele vorderingen en door het uitbreken van besmettelijke ziekten een zeer nadelige invloed hadden op de groei van de bevolking.

De oorlog van 1672 - 1678 (La guerre de Hollande).

De Franse koning Lodewijk XIV, bijgenaamd de Zonnekoning en bekend om zijn uitspraak "l'état c'est moi" (de staat dat ben ik), was getrouwd met Maria Theresia van Spanje, dochter van Philips IV koning van Spanje en de Zuidelijke Nederlanden die na de Munsterse vrede bij Spanje waren gebleven. Maria Theresia had bij haar huwelijk met de Franse koning een bruidsschat van 9 miljoen francs toegezegd gekregen. Daarbij was bedongen dat zij afstand zou doen van haar aanspraken op de Spaanse erfenis in de Zuidelijke Nederlanden. Maar de bruidsschat werd niet voldaan en daarom eiste de Zonnekoning uit naam van zijn vrouw de Zuidelijke Nederlanden op.
In 1667 wist hij verschillende gebieden in Vlaanderen te veroveren, doch door "de Triple Alliantie" tussen Engeland, Zweden en de Republiek moest hij zijn veldtocht staken. In 1670 wist de Zonnekoning Engeland over te halen tot het sluiten van een geheim verdrag, het verdrag van Dover, waarin werd overeengekomen dat Engeland de Franse koning zou steunen wanneer deze met zijn leger de Republiek binnenviel. Als beloning zou Engeland de Schelde-monding met het eiland Walcheren en de Maas-monding met Goederede en Voorde, alsmede jaarlijks £250.000,- krijgen. In artikel 5 van het verdrag stond "mortifier l'orgueil des Etats-Généraux des provinces unies de Pays-Bas" (het vernederen van de trots der Staten-Generaal van de verenigde provincies de Nederlanden). De republiek was door de VOC (Verenigde Oostindische Compagnie) schatrijk en trots geworden en in Engeland was men de tocht naar Chattam van Michiel de Ruijter in 1667 nog niet vergeten.
In 1672 brak de oorlog uit. Sterke troepen van de Franse koning, aangevoerd door bekwame veldheren als Turenne en Condé, rukten in korte tijd via de Zuidelijke Nederlanden op langs de Maas en vielen het grondgebied van de Republiek in het oosten binnen. Verschillende steden aan de IJssel alsmede Utrecht kwamen in Franse handen, alsook de plaatsen Naarden en Woerden. Alleen de Hollandse waterlinie hield hen nog tegen. Raadspensionaris Jan de Wit werd verweten dat hij, in tegenstelling tot de vloot, het leger had verwaarloosd. Het volk kwam in opstand en Jan de Wit werd tesamen met zijn broer Cornelis de Wit op 20 augustus 1672 in Den Haag vermoord. Het jaar 1672 zou als "het rampjaar" de geschiedenis ingaan: "de regering was radeloos, het volk redeloos en het land reddeloos".
Intussen was prins Willem III tot stadhouder uitgeroepen. Hij zag kans het leger van de Republiek te versterken. In het najaar van 1672 waagde hij een tegenaanval, daarbij gesteund door de landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden. De prins verzamelde rondom Roosendaal 23.000 man (18.000 ruiters, 2.000 dragonders en 3.000 man infanterie), die hij op 7 november 1672 inspecteerde. Met deze troepen onder bevel van prins Maurits en graaf van Waldeck vertrok hij daags daarna over Hoogstraten, Kasterlé en Peer naar Maastricht, waar hij de stad ontzette. Het was slechts een tijdelijk succes, want in de winter van 1672-1673 moest hij zijn troepen terugtrekken, toen de Fransen over het ijs van de waterlinie verder oprukten.

Deze veldtocht betekende voor de inwoners van deze streek, met name ook voor Sprundel en Voorne, Rucphen en Zegge, niet alleen de ellende van inkwartiering van "graven, cornellen en andere curaciers", troepen van het regiment van prins Maurits, van graaf Waldeck en van de kolonellen Horenberg en Lanooy, maar ook het verrichten van veel legerdiensten. Zo werd aan Antonie Adriaans Tack en Adriaan Adriaans Schijvenaars, 185 gulden uitbetaald voor karrevrachten "toen het leger naar Vlaanderen, Venlo en Roermond trok en wederom kwam, waardoor genoemde voerlieden voor den tijt dan 116 dagen weggeweest zijn". Ook werden verschillende bedragen betaald om inkwartiering af te kopen. "Op 9 januari 1673 uitkoop moeten doen aan graaf van Stierum, alsoo deselve ons woude inquartieren: 60 gulden", aldus een specificatie van krijgslasten uit het oud-archief van de heerlijkheid Voorne.

Maar het bleef niet bij deze éne veldtocht.
Op het eind van 1673 trok de prins opnieuw met een versterkt leger via de Moerdijk naar het zuiden. Hij wist zelfs door te stoten tot Bonn, waar hij het Franse arsenaal veroverde. De Franse troepen die vreesden afgesneden te worden van hun bevoorradingslijnen, trokken zich toen uit Utrecht en andere delen in het oosten van het land terug.
In 1675 volgde een derde veldtocht. Weer verzamelde de prins rond Roosendaal een groot leger (30.000 man), waarmee hij op 24 mei 1675 oprukte naar Duffel. Bij al deze veldtochten gold het aloude gebruik, dat de legers zoveel mogelijk ten koste van de bevolking moesten worden onderhouden. Maar de zandgronden van Noord-Brabant waren een uiterst schraal en dunbevolkt gebied, waar voor een leger weinig te halen viel. Daarom kon een enigszins sterke troepenmacht er slechts korte tijd vertoeven, omdat de daar aanwezige levensmiddelen en fourage snel verbruikt waren.
Het laat zich verstaan hoe slecht de bevolking in deze streek er aan toe was, als deze legereenheden zich in hun dorp voor korte of iets langere tijd samentrokken en alle beschikbare etenswaren en fourage vorderden. Voor de heerlijkheid Voorne was de schade in de zes jaren dat de oorlog duurde, opgelopen tot rond f. 5.000,-, hetgeen naar de huidige waarde van het geld is te stellen op ongeveer een half miljoen. Voor de kleine heerlijkheid Voorne die in 1810 maar 136 inwoners telde, een zeer hoog bedrag.

De negenjarige oorlog 1688 - 1697

De Franse koning Lodewijk XIV die bij de vrede van Nijmegen in 1678 gewongen was zijn troepen terug te trekken uit het grondgebied van de Republiek, zon op wraak en tien jaar later verklaarde hij de Republiek opnieuw de oorlog. Weer kregen de dorpen van Staats-Brabant de last van inkwartiering en andere oorlogsellende te dragen.
In het archief van de heerlijkheid Voorne zijn echter weinig gegevens over deze oorlog te vinden. Maar het begraafboek van de Sprundelse parochie vermeld in 1696 wel 33 doden en in 1697 16 doden of 25 gemiddeld in die twee jaar, een zeer hoog sterftecijfer bij ± 650 inwoners. Gebrek aan goede voeding en het uitbreken van besmettelijke ziekten, in die tijd de vaste gezellen van de oorlog, zijn aan die hoge sterftecijfers niet vreemd geweest.

De Spaanse successie-oorlog 1701 - 1713

Deze oorlog ontstond als gevolg van het kinderloos overlijden van de Spaande koning Karel II in 1700. Deze had bij testament alle Spaanse bezittingen waaronder ook de Zuidelijke Nederlanden vermaakt aan de kleinzoon van de Franse koning Lodewijk XIV en Maria Theresia van Spanje. Maria Theresia was een halfzuster van Karel II.
De Duitse keizer, die getrouwd was met Margareta Theresia van Spanje, een halfzuster van Maria Theresia, nam hiermee geen genoegen. Stadhouder Willem III wist met de Duitse keizer en met Engeland een verbond te sluiten tegen de Zonnekoning. Zo ontstond de Spaanse successie-oorlog: opnieuw een betwisting van het erfrecht op de Zuidelijke Nederlanden. De Duitse keizer benoemde tot opperbevelhebber van zijn troepen prins Eugenius van Savoye en Engeland zond John Churchill, hertog van Marlborough, met een expeditie-leger naar de Nederlanden, waar intussen de Franse troepen in een wijde boog om de zuidgrens van het grondgebied van de Republiek stonden opgesteld.
In 1703 vond ten noorden van Antwerpen de slag van Ekeren plaats, waarbij het Staatse leger een onverwachtte nederlaag leed door de grote overmacht van de Franse troepen. Men sprak in de Republiek over "de desastre van het leger bij Eeckeren".

Door deze oorlog waarbij deze streek in feite slagveld was, kregen de inwoners van dit gebied het zwaar te verduren. Zo ook de inwoners van Sprundel en Voorne. Nu eens was hun dorp in handen van de Franse troepen dan weer werd het in bezit genomen door het Staatse leger. En telkens werd de bevolking geprest de vele inkwartieringen te dulden alsmede hooi en haver, kaas en bier te leveren en tal van legerdiensten te verrichten. Alsof dit alles nog niet genoeg was, eisten de Fransen betaling van een grote som geld (contributie) tot afkoop van hun recht tot plundering en platbranden en vorderden de Staatsen naast de normale leveranties voor het leger de extra-levering van palissaden, vacijnen en staken of piquetten ter versterking van de verdediging der vesting Bergen op Zoom.
Een regiment Engelsen, gelegen op de Molenheide in Rucphen, kwam op een nacht Voorne binnen en beroofde "de huislieden met gewelt van bed en bult, schapen, kalveren, hoenders, hooi en strooi, eten en drinken zodat die lieden niet meer en hadden" aldus vermeldt de borgemeester van Voorne in zijn "Specificatie van geleden schade sedert de jaere 1702 tot 1706".
Om de "geijste contributie van de koningen van Vranckrijk ende Hispanieën" te kunnen betalen werd een extra-omslag over de verponding geheven. Voor Voorne bedroeg deze oorlogsschatting een verhoging van 10 stuivers per pont schots (50 cent per gulden grondbelasting). In feite betekende dit dat er jaarlijks betaald moest worden: 449 gulden, 12 stuivers en 8 duiten. Daarbij kwam "tnegentich gulden en twee stuivers van rentmeester van Beeck te Breda" als buitengewone omslag op de tienden, toekomende aan mevrouw abdisse van Thoor om de Franse contributie mee te betalen; totaal derhalve een som van bijna 600 gulden. Het geld moest betaald worden aan de Ontvanger-generaal te Maubeuge en dat gedurende al de jaren dat de oorlog duurde. De oorlogsschatting eiste zodoende een som van f. 600,- maal 13 is f. 7.800,- (thans rond f. 780.000,-) van de kleine heerlijkheid Voorne naast alle andere vorderingen en diensten.
In 1713 werd de vrede van Utrecht gesloten waarbij de Zuidelijke Nederlanden niet aan Frankrijk maar aan de Oostenrijkse keizer werden toebedeeld. Men sprak nadien over de Oostenrijkse Nederlanden.

De Oostenrijkse successie-oorlog 1740 - 1748

De oorlog die na de Tachtigjarige Oorlog de meeste ellende in deze streek zou brengen, was de Oostenrijkse successie-oorlog die in 1740 uitbrak. Na de dood van de Oostenrijkse keizer Karel VI, heer van de Zuidelijke Nederlanden, ontstond er opnieuw twist over de erfopvolging. Karel VI had zijn dochter Maria Theresia, de latere keizerin van Oostenrijk en Hongarije, als erfgename aangewezen maar verschillende vorsten waaronder de Franse koning Lodewijk XV, betwistten haar erfrecht.
De Franse troepen onder bevel van generaal graaf van Löwenthal vielen opnieuw de Zuidelijke Nederlanden binnen. In 1746 wisten zij Brussel en kort daarna ook Antwerpen te veroveren. Het jaar daarop vielen zij het grondgebied van de Republiek binnen en konden na een belegering van twee maanden het zwaar versterkte en onneembaar geachte Bergen op Zoom op 16 september 1747 tot overgave dwingen. Door de vele beschietingen en branden was de stad in een puinhoop veranderd.

Het leger van de Republiek, de Armee van de Staat, had in juli 1747 onder bevel van baron George van Schwarzenberg zijn kampement rond Oudenbosch opgeslagen en trachtte door de aanleg van een verdedigingslinie die zich uitstrekte van Vorenseinde en Sprundel via Rucphen naar de Hooghei in Zegge, de doortocht van de Franse troepen vanuit Bergen op Zoom naar Breda langs de heerbaan die door Rucphen en Sprundel liep, te blokkeren.
Tien maanden hielden de troepen van Schwarzenberg, waaronder een regiment Oostenrijkse huzaren onder bevel van kolonel graaf Frangipani, deze linie bezet. Voor de aanleg van die linie waren huizen en schuren afgebroken of afgebrand, waren paarden en karren opgeëist en gewassen te velde verwoest. Daarnaast hadden deze huzaren hooi, haver en stro voor hun paarden gevorderd en brood en vlees voor zichzelf en de vrouwen die hen vergezelden. Ten dele waren dat hun eigen vrouwen, ten dele markentensters, danseressenen actrices.

Blijkens het pastoorsdoopboek werden een viertal kinderen van deze Oostenrijkse huzaren in Sprundel gedoopt.
Het waren:
op 13 oktober 1747: Helena, wettige dochter van Mathias Dekonick en Maria Helena Cijmani, waarbij de pastoor aantekende: filia extraneorum (dochter van buitenlanders);
op 3 december 1747: Andreas, wettige zoon van Stephan Sneijder en Catharina Stephaan, waarbij de aantekening stond: filius huzardorum (zoon der huzaren);
op 19 januari 1748: Joannes, wettige zoon van Johannes Safar en Magdalena Cisere, eveneens met de aantekening: filius huzardorum;
op 22 augustus 1748: Henricus, wettige zoon van Carolus Pener en Maria Anna Meyerin, met de aantekening: filius extraneorum.
Ook werden blijkens het predikantsprotokol van Sprundel in diezelfde tijd een drietal huwelijken in de Sprundelse kerk gesloten door de in Sprundel gelegerde militairen. Het waren:
op 31 december 1747: Joannes Blaschik en Elisabetha Torsvingerim, behorende tot het regiment van Beletznay;
op 14 april 1748: Johannes Boöse en Elisabeth Pütz, alsmede Coenraed Vatter en Anna Cristina Mosijn; zij behoorden tot het regiment van den luitenant-generaal graaf van Schaumburg-Lippe, die met zijn troepen de Armeé van de Staat steunde.

Er is weinig fantasie voor nodig om te beseffen dat zo'n "uitgebreid" leger dat niet alleen uit soldaten en paarden bestaat, maar ook nog uit vrouwen en kinderen, van alles nodig heeft en bijgevolg ook opeist. De inwoners van Sprundel en Voorne werden tot het uiterste armoe gebracht en zij waren "met geen mogelijkheid in staat om de som van 129 gulden, 12 stuivers en 8 penningen wegens de beeden te betalen", zoals uit het resolutieboek van 1748 blijkt.

Al die oorlogsellende was uiteraard niet bevorderlijk voor de groei van de Sprundelse bevolking. Uit de grafiek blijkt dat in 1747-1748 het aantal doden per 1.000 inwoners niet alleen het aantal geboorten per 1.000 inwoners overtrof, maar ook dat dit dodental het hoogste is dat Sprundel in de periode 1630 tot heden heeft gekend. De belangrijkste doodsoorzaken waren de besmettelijke ziekten als pest en buikloop. Hetzelfde geldt in nog hevigere mate, zoals hierna zal blijken zal blijken, voor het dorp Rucphen. Voor beide dorpen geldt het jaar 1747 als het grootste rampjaar sedert de Tachtigjarige Oorlog.

Van de inval der Fransen in 1793 tot herstel van de onafhankelijkheid in 1813

Tegen het einde van 1700 ontstonden in Europa nieuwe denkbeelden over staat- en volkerenrecht. Ook in de Republiek, waar de gegoede burgers vonden dat de regenten onder leiding van de prins van Oranje lang genoeg op het kussen hadden gezeten en waar de katholieken niet langer als tweederangs burgers wensten behandeld te worden. Zij allen kwamen in verzet en noemden zich "de patriotten": de vaderlandslievenden. Maar de prins van Oranje gesteund door een leger van 20.000 man van de Pruisische koning Frederik Willem II, versloeg de patriotten, waarvan velen naar Frankrijk vluchtten. Daar bestormden op 14 juli 1789 opstandige burgers de Bastille, symbool van het feodale systeem, en brak de revolutie los onder de leuze: vrijheid, gelijkheid en broederschap.

In 1793 maakte de Republiek kennis met de gevolgen van die revolutie in de vorm van een slechts 1 1/2 maand durende Franse veldtocht van generaal Dumourier, gesteund door het Bataafs legioen van gevluchte patriotten, onder aanvoering van kolonel Herman Willem Daendels uit Hattem. Dumourier ontwierp de veldtocht op 7 februari 1793, verzamelde op 17 februari een leger van 10.000 man waaronder veel jongens van 13 tot 16 jaar, ten noorden van Antwerpen op Nederlands grondgebied ten zuiden van Sprundel en zette op 22 februari de aanval in.
Op 26 februari 1793 werd Breda na een kort bombardement van slechts één uur veroverd en werd op de markt een vrijheidsboom geplant als teken van een democratische omwenteling gericht tegen de regenten en de prinsgezinten. Maar na een nederlaag bij Neerwinden, niet ver van Maastricht, moesten de Franse troepen zich op 5 april terugtrekken en kwamen Engelse, Hanoverse en Hessische troepen hun plaats innemen tot 1794. Toen kwamen de Fransen terug, onder leiding van generaal Charles Pichegru, die in januari 1795 met zijn troepen over de bevroren rivieren trok en Holland bezette.
Opnieuw kreeg Sprundel en de omliggende dorpen de last van inkwartiering en vorderingen door krijgsvolk te verduren, zij het met dit grote verschil dat men de Fransen als bevrijders begroette. Zij brachten vrijheid van godsdienst en gaven aan de katholieken van Brabant het recht eigen afgevaardigden te kiezen voor de nationale vergadering. Het wingewest Staats-Brabant werd het vrije Bataafs Brabant, beschermd door het leger der patriotten. Men zong:

Wat zullen onze patriotjes eten
als zij int leger zijn.
Een kiekske aan den stok gesteken
dat zullen onze patriotjes eten.
Tambour generaal
patriotten allemaal
kameraden, kameraden.

De Franse militairen hadden ook hun vrouwen bij zich, zoals uit het Sprundels doopboek blijkt. Op 23 december 1794 werd aldaar gedoopt: Joanna Francisca, wettige dochter van Joannes Franciscus Pieré en Maria Magdalena Legal. Pastoor Th. de Vet tekende bij de doopakte aan: "filia Gallorum" (dochter van Gallieërs).

In 1795 werd de Bataafse Republiek gesticht die in 1806 werd vervangen door het koninkrijk Holland met Lodewijk Napoleon als koning. Maar dit koninkrijk was niet van lange duur. Het werd in 1810 bij Frankrijk ingelijfd. Dit betekende dat de Franse wetten ook hier gingen gelden, met name het gehate conscriptie-stelsel: de verplichting om zich te laten inschrijven voor de dienstplicht waartoe met door loting werd aangewezen. Twee Sprundelse jongens die door loting waren aangewezen voor dienst in het Franse leger, kwamen blijkens het gemeentelijk register van overlijden van 1812 daarbij om het leven. Op 10 maart 1812 overleed in het hospitaal te Hemixen in België Marijn Lauwen, zoon van Petrus Lauwen en Maria Tak. Hij was leerling-matroos op het schip L'Illustre van de Franse marine en 24 jaar. Zijn dorpsgenoot Cornelis van Oorschot overleden op 27 december 1812 in het militair hospitaal in Mechelen. Hij was de zoon van Marijn van Oorschot en Henrica Lauwen en fusilier in het 75e cohort van de Nationale Garde. Hij was 23 jaar en woonde bij zijn ouders in Sprundel-Hertog.

De vreugde waarmee de komst van de Fransen destijds was begroet, raakte vrij snel bekoeld. Zoals bekend werd Napoleon in oktober 1813 in de volkerenslag bij Leipzig in Saksen (thans DDR) verslagen, met als gevolg dat hier te land de Franse troepen zich begonnen terug te trekken. In diezelfde maand landde de erfprins van Oranje, komend uit Engeland, op het strand in Scheveningen en op 2 december 1813 werd hij als souverein vorst in de nieuwe kerk te Amsterdam ingehuldigd. Daarmee was een einde gekomen aan de Franse tijd en kon het herstel van de onafhankelijkheid worden gevierd.

De twintig roerige jaren van 1793 tot 1813 hadden Brabant wel vrijheid van godsdienst gebracht en gelijkberechtiging in het landsbestuur, maar tevens vergaande verarming door de vele vorderingen en vernielingen als gevolg van de voortdurende oorlogvoering. Zo arriveerden op 23 december 1813 in onze gemeente, die in 1810 door Napoleon als de gemeente Sprundel was gesticht, Russische huzaren en kozakken, in januari 1814 Pruisische cavallerie en in februari 1814 Saxische huzaren. Zij eisten van de inwoners: 54 zak koren, 1.412 zak haver, 229.000 pond hooi, 41.000 pond strooi, 5 karren turf, 14.000 musterds, 55 karren struiken, eikenhout en doofhout, 24 beesten en 4 schapen met daarnaast het verrichten van vele karrediensten, van gidsendiensten en tal van andere zaken. Deze vorderingen alleen al betekenden voor de nieuwe gemeente een oorlogslast van meer dan f. 25.000,-.

Met deze oorlogen-geschiedenis als achtergrondinformatie is te begrijpen dat het dorp Sprundel dat in 1630 ruim 400 inwoners telde, in ongeveer 200 jaar slechts uitgroeide tot 936 inwoners in 1810. Het zijn de hoge sterftecijfers en de vertrekcijfers die afbreuk deden aan de natuurlijke groei. Want wie kon, vertrok naar veiliger oorden. Verschillende van hen kregen daar de familienaam: "van Sprundel" en uit de verspreiding van die naam in o.a. Oud-Gastel en omgeving zou men misschien mogen concluderen waarheen men ging.

Bron: Gemeente Historie 1930-1980 2: groei van de gemeente en haar dorpen. A.J.M. Hezemans, 1982